Ik woon in een oud, degelijk huis. Bouwjaar 1954. Ik weet het jaartal nog, want het staat op een brik geschreven, met krijt, op zolder. En het staat ook op de acte. Dus het zal wel waar zijn dan.

Op zich is zo’n huis nog niet in de winter van haar leven. Pakweg herfst. We kochten het als ‘instapklaar’, maar eens het bewoond was, bleek het toch eerder ‘op te frissen’. Ondertussen wonen we er al 13 jaar en is ‘te verbouwen’ beter geplaatst. 

Het is een perfect gelegen stadswoning met herenhuisallures. Er waren drie belangrijke troeven die het huis hoogst marktwaardig maakten: ligging, ligging en ligging. Die belofte was niet loos. ‘Op het Zuid’ van Hasselt. 10 minuten van alles. Letterlijk. Parking voor de deur en zonlicht in de stadstuin, die oppervlaktegewijs een spiegeling van het huis is. Niet superklein, niet supergroot. Wel hoog 😉 Vooral zeer aanvaardbaar. Een huiselijk, nederig stulpje. 

Dan komen we naadloos bij de vraag: heb je verbouwd? Ja en nee. Niet structureel. Ondertussen is de zolder volledig omgevormd tot loft en komt er ruim 200 vierkante meter bewoonbaarheid bij. Dochterlief haar trotse toren. Voor de rest hier en daar wat modificaties. Maar te weinig, toegegeven. Bon, de plannen zijn uit de diepvries naar de koelkast verhuisd, klaar om uitgerold te worden. In volgorde van belangrijkheid: badkamer, keuken en terras. De vloer op de eerste verdieping nemen we er in de vlucht bij. Eerlijk? Heb er wel zin in. En dat was, met schaamrood op de wangen, ooit anders. Uitstel, tegenzin, gedoe, … veel excuses, geblaat en weinig wol. Maar geen echte redenen. Schuldig, ik beken.

Ons huis is gezellig. Niet modern, technisch in orde, authentiek, karaktervol, met veel mogelijkheden, en vooral, een warm nest. Mensen zijn er graag. Een beetje zoals bij bomma thuis. Altijd meteen aanschuiven, voetjes onder de tafel. Feestdis inbegrepen. Er mag gelachen, gehuild, gevloekt worden. Altijd gastvrij. Steeds welkom. Je komt er thuis. 

David

DELEN